Er was zelfs geen sprake van een stuk onderbelichte geschiedenis. Het was een stuk niet belichte geschiedenis.

Dus ging schrijver Frank Antonie van Alphen op zoek naar hun levensverhaal, de historie van de Nijmeegse kaaisjouwers. Hij vond nog verbazingwekkend veel verhalen en anekdoten over dit ruig volkje. Het zullen er hooguit maar twintig tot dertig geweest zijn.

Rond het interbellum losten en laadden ze schepen aan de Nijmeegse Waalkade. Ze leefden in een Waalstad die het werk dat de rivier verschafte, omarmde.

De kaaisjouwers hadden een moeilijk leven met hun gezinnen, omdat ze onder vaak armoedige omstandigheden in de Onderstad woonden. In de Nijmeegse achterafstraatjes huisden nietsnutten, verarmde welgestelden en noeste arbeiders; hoeren, muzikanten en spiritusdrinkers; sjouwers en slepers.

De kaaisjouwers waren degenen die, tot de opening van de Waalbrug in 1936, de goederen de stad Nijmegen in brachten. Ze stonden onder schippers en inwoners bekend als de

Lange van Benthem, Rooie Jan, de Kluut, de Kiep, Sneetje en de Scheve Schoen.
Toen kwamen de hijskranen. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen de kaaisjouwers langzaamaan uit beeld. Hun verhaal wordt door Van Alphen vaak verteld vanuit het perspectief van een schipperszoon. Omdat het leven van de kaaisjouwers letterlijk in de buurt van het leven van zijn varende ouders en grootouders lag. Het hardwerkende vroeger.